Een pabo om trots op te zijn, worden én blijven

toelatingpabo

(Bron: “Wat gebeurt er allemaal in het hbo en wo?” Presentatie door Gerard Hogendoorn, Erasmus Universiteit Rotterdam. VvSL-congres, 6 november 2014.)

In de NRC van 3 februari 2017 beklagen drie hbo-voorzitters uit Zwolle zich erover dat hun pabo’s zoveel witte meisjes trekken. Dat kan zo niet langer! Het ligt aan die lastige toelatingstoetsen, dat hun instroom vanuit het mbo is opgedroogd. Dus willen ze die instroom weer vergroten. Immers, in het mbo zijn de jongens en de meisjes-met-migratieachtergrond te vinden die nodig zijn om het basisonderwijs te verrijken, stelt het drietal. Voor hen is de pabo nu te moeilijk, of ze zijn daar althans bang voor. Daarom moeten we hen lokken, bijvoorbeeld met een voorbereidend semester, de pre-pabo. En of de minister dat dan wil betalen, bijvoorbeeld aan de drie hbo’s in Zwolle.

Ondanks de treffende sociale bewogenheid van dit dappere drietal vallen er ook vraagtekens te plaatsen bij hun voorkeur om de pabo-instroom juist met een mbo-aandeel te versterken. Immers, nog zéér recent hadden hun pabo’s nog de grootste problemen met de opleiding van mbo-instromers, van welke achtergrond of sekse dan ook. Zijn ze dat nu alweer vergeten?

Nederland heeft al de laagste (voor)opleiding tot het belangrijke beroep van leerkracht basisonderwijs. Dat is niet zonder gevolgen gebleven.

Zo kon de lieve kersverse juf van mijn kinderen niet uitrekenen welk wisselgeld ik moest terugkrijgen, toen ik drie zakjes klassenfoto’s à 11,75 betaalde met 40 euro. Een andere lieve kersverse juf ‘verbeterde’ bij een kindertekening het onderschrift ‘de kameel’ in ‘het kameel’. Weer een andere juf, zeker tien jaar in dienst, wist niets van de rekendiscussie die al jaren door het basisonderwijs waart, en die verklaart waarom haar school op rekenmethode X was overgestapt. Vygotsky, was dat niet de president van Rusland? En ‘leren programmeren’ leek een andere jonge collega best cool, maar ze hoopt daarbij op de hulp van de conciërge, die weet daar wat van.

Zo lang al als ik me met onderwijs bemoei, zo lang wordt er geklaagd over het lage kennisniveau en de zwakke algemene ontwikkeling van pabo-studenten, en als gevolg daarvan over de kwaliteit van de nieuwe juffen (en de doodenkele nieuwe meester) voor de klas. Dat is pijnlijk en ongewenst. Dat Nederland van de EU de laagste opleidingseisen aan het beroep van leerkracht stelt, wringt met het feit dat leerkrachten ongelooflijk belangrijk en in wezen hooggekwalificeerd werk doen. Vooral de mbo-instroom in de pabo’s toonde zich al langdurig tijdens de opleiding zwak en werd vaak struikelend over de eindstreep geholpen – mét diploma.

De lage instroomkwalificaties wringen dan ook met de steeds hogere eisen die we in Nederland aan leerkrachten stellen: méér differentiëren, méér toets- en opbrengstgericht werken, méér maatwerk voor hoogbegaafden, méér digitale didactiek, méér beta in het basisonderwijs, méér rugzakjesleerlingen in de klas, méér intercultureel en burgerschapsonderwijs, méér creativiteit, filosofie en ondernemerslust in het aanbod, noem de hele santenkraam maar op. Er is anno 2017 eerder reden om hogere dan lagere opleidingseisen te stellen aan nieuwe leerkrachten.

Goddank werd er in het vorige decennium, na jaren van klachten over de pabo-uitstroom, een maatregel bedacht. Want onze kinderen verdienen heel goede, vakkundige, intelligente leerkrachten – zeker in Nederland Kennisland. Als die heel goede leerkrachten niet vanzelf komen, moet je daar wat voor doen. Zowel de rijksoverheid als de scholen als de opleidingen.

Wat in andere EU-landen heel gewoon is, hoge eisen aan toelating tot dit belangrijke beroep, werd in Nederland in afgezwakte vorm ingevoerd. Ja, er kwam een taal- en een rekentoets, maar die hoefde je niet per se vóór de start van de opleiding te behalen, en je mocht hem tijdens de opleiding een aantal keren opnieuw doen – tot het lukte. Sinds vorig jaar zijn daar een paar vakinhoudelijke toetsen bijgekomen, maar de status en normering daarvan zijn ‘onderwerp van discussie’ en kunnen tussen pabo’s uiteenlopen.

Kortom, we zijn in Nederland nog steeds heel coulant met die toelating tot het beroep waar je in andere landen niet zonder vwo met hbo+ of universiteit binnenkomt. Dus komen er in Nederland nog steeds ook mbo-ers op de pabo, en het goede nieuws is dat die het beter doen dan tevoren, al zijn het er dan minder. Per saldo is dat winst.

Er is nu dus eindelijk iets van een selectie. Een naar woord, vinden velen, tot je beseft dat het voor talloze andere belangrijke beroepen en opleidingen geldt. En tot je beseft dat het best raar is als vooropleidingen en diploma’s zo weinig tellen in een beroepssector die drááit om het bieden van goede vooropleidingen en het behalen van diploma’s.

Nu heeft selectie ook keerzijdes. Soms betreft dat een noodzakelijk kwaad – het is nu eenmaal niet iedereen gegeven om zich voor dit veeleisende beroep te kwalificeren, dus er raken mensen teleurgesteld. Soms is het een extra horde die volhouders moeten nemen, bijvoorbeeld als ze in het havo en mbo harder moeten werken om toegelaten te worden. Ook duchten sommigen een zekere selectie-bias, die er uit zou blijken dat de selectie sociale groepen niet in gelijke mate treft. Dat betekent niet dat de selectie ‘bevooroordeeld’ is: zolang havo-meisjes hogere cijfers halen dan havo-jongens, ligt voor de hand dat bij een selectie meer havo-meisjes worden toegelaten dan jongens. Dat ligt niet aan een oneerlijke selectie, maar aan het reële verschil tussen sociale groepen.

Dus, beste hogeschoolmeneren, nu even voor mijn begrip. Er was een ernstig, langdurig en structureel probleem met de pabo-uitstroom, met repercussies voor talloze kinderen in het land. Het probleem had zeker ook te maken met een zwakke instroom. We hebben dat probleem een béétje opgelost. De oplossing lijkt een béétje te werken. En dan komt u nu direct vragen om het probleem, de oplossing en de toelatingseisen te relativeren? Omdat u anders te weinig toeloop heeft? Omdat de huidige toeloop van vooral witte meisjes u niet aanstaat?

Weet u wat? Ik wil héél graag een grote, en heus ook nog een gekleurde toeloop van mannen én vrouwen naar uw opleidingen. Ik zou héél graag willen dat het beroep van leerkracht veel populairder wordt dan het nu is. Het lijkt me fantastisch als de toeloop van capabele, intelligente, gemotiveerde mensen zo aanzwelt, dat Nederland mag rekenen op een fantastische instroom in het beroep. Zo goed, dat scholen zelfs mogen kiézen uit een berg goede sollicitanten.

Maar zo’n grote én betere toeloop krijgt u heus niet als we nu de eisen aan het beroep weer versoepelen. Als we de toch al moeizame status van het beroep weer ondermijnen. Als vrijwel alle vwo-leerlingen, en de best presterende helft van de havisten weer de neus optrekt voor uw pabo’s. Want dat was de probleemsituatie waar we heel lang mee te kampen hadden – en nog. Een situatie die net weer een beetje de goede kant op ging.

Morrelen aan de toelatingseisen is een slecht idee. Aantrekkelijker maken van het beroep en van de opleiding zijn goede ideeën. Dat kunnen werkgevers doen door betere arbeidsvoorwaarden te bieden: een normaal aantal lesuren, een normale klassengrootte, een normaal salaris (bijvoorbeeld naar West-Europese normen, dat zou al helpen). En dat kunnen hogescholen doen door juist hogere eisen te stellen aan instroom en uitstroom én beter onderwijs te bieden. Het kan, u kunt het in tal van andere landen aanschouwen.

Want weet u, de Nederlandse impopulariteit van het lerarenberoep is geen vaststaand gegeven. Het is geen natuurverschijnsel. Het is een gevolg. Met vrij heldere oorzaken, als u er naar zou durven te kijken. Met de taal-, reken- en aardrijkskundetoetsen hebben die oorzaken niks te maken. Met structurele veronachtzaming van dit mooie beroep wel.

Kortom, ik zag graag een stuk van uw hand in de krant waarin u de PO-raad oproept het beroep van leerkracht veel aantrekkelijker te maken. Waarin u hand in hand met de werkgevers werkt aan een veel betere opleiding dan de pabo nu is. Met een PO-sector die ook voor goede havisten en vwo-leerlingen aantrekkelijker wordt om te werken. Voor jongens en meisjes, ook met een andere afkomst dan de Nederlandse. Dat is in andere landen en in andere belangrijke beroepen doodnormaal – en u weet dat heus wel. Zo vergroot én verbetert u uw pabo-instroom.

Ja, ook stapelen is prima, graag zelfs, maar zonder concessies aan het recent verhoogde instroomniveau. Een pre-pabo is dubieus, als die neerkomt op platte toetstraining voor het behalen van de taal- en rekentoets. Bedenk dat uw instroom al 13 tot 15 jaar onderwijs achter de rug heeft. Met een kort tussentraject maak je daar niet ineens veel capabeler mensen van. Het is geen goed alternatief voor wat uw doel zou moeten zijn: het werven van een grotere en beter vooropgeleide instroom.

 

Advertisements
This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s