‘Leren denken’ als apart vak, of als opdracht aan alle schoolvakken?

critical-thinking-cartoon

Op de website van ‘De Correspondent‘ (die meer bezoekers en betalende leden verdient) publiceerde docent Nederlands Johannes Visser een mooi artikel waarin hij zich kritisch uitlaat over de vele oppervlakkige goed/fout-vragen waarvoor leerlingen zich dagelijks gesteld zien. Dat zou leiden tot oppervlakkig ‘leren volgens de krul en de rode streep’ en intelligenter gedrag ontmoedigen. Johannes pleit daarom voor een nieuw schoolvak Denkvaardigheden, waarin leerlingen tot meer probleemoplossend, kritisch en creatief denken worden gebracht. Het aldaar geleerde zou dan bewust kunnen worden toegepast in andere schoolvakken.

Zo te zien aan de vele inhoudelijke reacties zet Johannes’ voorstel menig lezer aan tot dat probleemoplossende, kritische en creatieve denken, wat op zichzelf een fraaie verdienste is. Ende al waer: het is juist dat in ons onderwijs een sterke nadruk ligt op vragen met goed/fout-antwoorden. Niet alleen in ons ‘huidige’ onderwijs in Nederland trouwens, maar in het onderwijs van alle tijden en alle landen. Daarvoor zijn allerlei oorzaken aan te geven, sommige inhoudelijk, sommige meer psychologiserend (iets met afvraagbaarheid van kennis & de status van de leraar en diens expertise). En het is nog maar de vraag of een ‘nadruk’ op zichzelf verkeerd is. Wellicht komen meer handen op elkaar voor de stelling dat de huidige nadruk wel wat minder kan, en dat probleemoplossend etc. onderwijs meer ruimte verdient.

Heel apart

Maar of een apart vak daartoe dienstig is? Daarover ben ik, met anderen, sceptisch. Omdat ik al ont-zet-tend oud ben, heb ik een reeks van zulke in een apart vak of aparte module gegoten ‘centrale vaardigheden’ de revue zien passeren; allemaal met de nobele bedoeling dat reguliere schoolvakken ervan zouden profiteren. Studieles (rond 1980). Computerkunde (rond 1990). Werkstukdidactiek (rond 1995). TVS-uur (Toepassing, Vaardigheid en Samenhang; ook rond 1995). Filosofie (stijgend in populariteit sinds invoering van de Tweede Fase). Modules ‘taalgericht vakonderwijs‘ bij Nederlands (vanaf 2000) ook met de bedoeling dat het onderwezene zou ‘uitzaaien’ naar andere schoolvakken. Modules ‘onderzoeksvaardigheden’ (recent) omdat de huidige onderwijsmode wil dat leerlingen en leraren van alles en nog wat ‘onderzoeken’ om hun eigen ‘kennis te construeren’.

De oogst van al die nobele bedoelingen stemt treurig. Of leerlingen na 35 jaar studieles & mentoraatsuur nu werkelijk betere studievaardigheden vertonen dan in 1980 valt te betwijfelen. Dat leerlingen voor alle vakken de computer gebruiken heeft minder met het aparte vak Informatica te maken dan met de beschikbaarheid van geliefde apparaten wijd & zijd en een permanente breedbandaansluiting van het kinderbrein op Internet. Werkstukdidactiek sneuvelde omdat de leraren aardrijkskunde een ander werkstuk wilden dan de leraren Engels, en de leraren wiskunde onderling ruzie kregen over wat voor werkstuk ze eigenlijk wilden. Het TVS-uur werd even snel afgevoerd als ingevoerd, toen de OCW-hype daarover in rook opging. Het vak Filosofie doet het goed als trekkertje voor (ouders van) groep-8-leerlingen, maar de transfer naar andere vakken lijkt me nagenoeg nul. Al 15 jaar roepen we met z’n allen dat ‘iedere docent taaldocent is‘ zonder veel concrete follow-up (een witte raaf hier en daar niet te na gesproken). Qua ‘onderzoeksvaardigheden’ gebeurt er maar wat, is mijn indruk. En om het profielwerkstuk na 15 jaar een éclatant succes te noemen gaat misschien wat ver.

Kortom: het innovatiemodel ‘maak er een apart vak van‘ heeft bedroevend weinig sporen verdiend, ondanks langjarige, herhaalde en diverse pogingen. Daarvan zouden we ons rekenschap moeten geven, als we nu ‘leren denken’ op de agenda zetten. Moeten we dan ‘Direct apart‘ (wie kent die kreet nog?) of kiezen we toch maar voor een gezamenlijke opdracht voor het lerarenteam?

Niet op het bordje van de leerling

Ik moet er ook maar naar raden, maar de laatste optie lijkt me meer kans op succes te bieden – onder voorwaarden. De laatste optie houdt in dat elke lerarensectie de opdracht krijgt uit te werken en (voor collega’s en leerlingen) zichtbaar te maken hoe denkvaardigheden in het eigen vak tot uiting komen. Dat heeft zowel een inhoudelijke kant (wat *zijn* denkvaardigheden eigenlijk, als het om Nederlands, economie of geschiedenis gaat?) als een didactische kant (hoe kun je dat bij Nederlands etc. leren? welke vooruitgang valt er merkbaar te boeken?). Laat de uitkomst over alle secties divers en niet altijd compatibel zijn, dat lijkt me minder een probleem dan de verwachte stagnatie van het ‘apart vak’-model. Leerlingen hebben baat bij wisselbouw in het onderwijs, niet bij standaardisering en monocultuur.

Als grote voordeel van deze optie beschouw ik dat het moeilijkste probleem – dat van de nuttige transfer van centrale ideeën naar verschillende schoolvakken – niet op het bordje van de leerling ligt, maar van de leraren. Plus de bijbehorende verantwoordelijkheid. Een apart lesuur over ‘divergent denken‘ kan hartstikke leuk ingevuld worden hoor, maar als een leerling dan verder zelf moet uitzoeken waar dat ooit ergens in het onderwijsprogramma toepassing verdient, komt er weinig van terecht. Het is ook niet eerlijk om dat moeilijkste probleem aan de leerling over te laten. Evenmin is het eerlijk om het aan individuele leraren over te laten; ik zie het als vraagstuk dat op sectieniveau een oplossing moet krijgen. En commitment aan die zelfgeconstrueerde oplossing. Als dat al niet lukt, moeten we leerlingen er (voor dat vak) niet mee opschepen.

Dat gaat zomaar niet

Bij mijn voorkeursoptie schreef ik ‘onder voorwaarden’, en niet voor niks. Een serieuze poging om de kwaliteit van je onderwijs te verbeteren vraagt het nodige. Voor alles: tijd en expertise. En als die expertise er niet is: tijd om die te verwerven. Weet mijn vaksectie wel genoeg van ‘denkvaardigheden’ om die morgen productief in ons vak in te voeren? Weet ik er zelf wel genoeg van? Antwoord: nee. Op z’n best hebben we de min of meer verstandige, bijeengeraapte kennis van een stelletje hogeropgeleiden. Maar voor het succesvol programmeren en onderwijzen van ‘denkvaardigheden’ in ons vak is dat toch wat dun. Expertiseverwerving op dat gebied vraagt om scholing, verdieping, uitwisseling, meningsvorming, afspraken maken. Ik wil het heus niet moeilijker maken dan het is, maar we moeten ook niet in amateurisme blijven steken.

De onderneming vraagt ook om tijd. Heel plat, maar ontzettend waar. En ontzettend voorwaardelijk: zonder voldoende tijd géén kans van slagen. Want dat wordt dan het zoveelste doodgeboren kindje. Willen we serieus ‘denkvaardigheden’ in ons onderwijsprogramma hijsen, in de vorm van doelen, leeractiviteiten en verantwoorde toetsing, dan is er veel werk aan de winkel. Hebben we die tijd? U kent het antwoord. Je kunt niet de jaartaak van leraren blijven volgooien met vrome wensen en dingen die ‘zouden moeten’. Dat is vragen om frustratie, van alle kanten.

Op mijn school hangen momenteel héél veel van die vrome wensen in de lucht. Onderzoekend leren. Taalbeleid. Differentiatie. Schoolbreed Tovani-lezen. Excellentiebevordering. Zingeving. iPad-onderwijs. Collegiaal lesbezoek. We hebben een fantastisch team met welwillende, capabele docenten en een schoolleiding die veel steun geniet – maar zelfs dan lukt het niet alle, of zelfs maar de meeste vrome wensen succesvol in daden om te zetten. Het is ook gekkenwerk, zo’n wensenlijstje, met per leraar het hoogste aantal lesuren en de grootste klassen van Europa. We doen ten onrechte alsof dat geen gevolgen mag hebben voor de ambities en voor de kans om in onze doelen te slagen.

Het is de tragiek van het ‘Peter principle‘ op schoolniveau. Elke school met ambitie tracht zich te verheffen tot het niveau van de eigen INcompetentie. Uitgedaagd door de politiek gestimuleerde (lees: afgedwongen) onderlinge concurrentie, die volgens de heersende ideologie zo goed zou zijn voor de onderwijskwaliteit, zien we dat schoolleidingen zichzelf en hun team onmogelijke taken stellen, om er op het oog (en in het eigen oog) maar zo gunstig mogelijk op te staan. We zijn zelfs bereid om de basiskwaliteit op te offeren (grotere klassen, goedkopere leraren), om maar aan dat vrome-wensenlijstje te werken. Steeds meer tijd & geld & fte’s naar ‘speerpunten’, een steeds kleiner aandeel naar het eigenlijke lesgeven. Een immer toenemende werkdruk voor leraren, gepaard aan het steeds verder in gebreke gesteld worden (hoe staat het met uw differentiatie? en uw ict-gebruik?).

Als we maar willen

Ik concludeer dat de voorwaarden voor mijn voorkeursoptie – tijd en expertise -echt niet zomaar vervuld zijn of worden. De kans daarop schat ik in als gering, evenals de kans op succes van het ‘apart-vak’-model. Tenzij we structureel iets verbeteren aan de lerarentaak: minder lesuren, meer tijd voor kwaliteit & ontwikkeling. Ambitie, graag; maar dan ook ruimte voor die ambitie.

Denkt u dat dat duur is? Welnee. Er is geld genoeg voor, zowel op de OCW-begroting als in de lumpsum, die in 13 jaar tijd verdubbelde. Wat ontbreekt, is de wil tot prioritering. Daarom is het mal die prioriteit wel van leraren te vragen.

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

4 Responses to ‘Leren denken’ als apart vak, of als opdracht aan alle schoolvakken?

  1. Rob Alberts says:

    Het afgelopen jaar ben ik dolgedraaid in ambities. Elke week werden er aan het team twee nieuwe ambitieuze doelen gepresenteerd. Allemaal even mooi en prachtig.

    Toch ook weer de dagelijkse gang van zaken; tijdens de koffie over de eigen kinderen, hobby’s en weekenden praten. En net voor de lesaanvang binnenstormen en aan het einde van de lesdag snel weg naar alle andere prive-verplichtingen.

    Bezorgde groet,

    • hminkema says:

      Herkenbaar. De stapel ambities waarmee de school zichzelf opzadelt, allemaal even mooi en prachtig en de moeite van het overdenken & ausprobieren waard. Maar we moeten ook onze beperkingen kennen. Het kennen van onze beperkingen is een kracht, en brengt een kracht voort, die we te weinig benutten.

      Dus knik ik braaf ‘ja’ tegen al die mooie ambities, en kies er hooguit een of twee uit om echt mee aan de slag te gaan. De rest laat ik voor wat ze zijn. Die mogen anderen waarmaken, net naar gelang het je past, praktisch, spychisch, of anderszins. Dat heet: overleven in het onderwijs. Dat heet: investeren in kwaliteit, niet kwantiteit.

      En herkenbaar: de koffieleut-gesprekken over koetjes en kalfjes. Maar weet je: dat is nodig. Mensen hebben ontspanning nodig om zich daarna weer in te spannen. Mensen hebben het nodig om te doen alsof – ook naar zichzelf toe – het onderwijsleven een ontspannen bezigheid is, ook al weet je donders goed dat het dat niet is. Dus we doen ons best, en we stressen, en we vrezen van alles (zoals de extern opgevoerde druk), en maken ons zorgen over XYZ. Maar we moeten óók blijven doen alsof we alles in de greep hebben, en aldus het dagelijkse leven, de kinderen, de hypotheek, de voetbalwedstrijd van gisterenavond een plekje toekomen in het dagelijks discours in de lerarenkamer. Stel je voor dat we de conversatie ook dáár alleen over beroepsmatige onderwerpen zou mogen gaan. Hoe dol ik ook ben op onderwijs, ik zou gek worden als ik tussen kwart over acht ‘s ochtends en half vier ‘s middags alléén daar over mag denken.

      Kortom: ook de ontspanning is beroepsmatig functioneel. Net als het drankje ‘koffie’ trouwens🙂

    • hminkema says:

      En o ja, het is waar dat ik aan het einde van de lesdag soms weghol naar ‘alle andere privé-verplichtingen’, maar:

      a) even zo vaak hol ik weg naar mijn bureau thuis waar ik het werk van mijn leerlingen ga zitten nakijken, of Magister bedien, of een proefwerk in elkaar draai, of een ouder opbel, of een andere schooltaak uitvoer;

      b) tegenover de privé-bezigheden in de namiddag staat het werken in avonden en weekends, wanneer andere mensen lekker vrij zijn.

      Ik heb niet het idee dat koffieleutgesprekken of privébezigheden tussen drie en zes mijn ambities temperen. Oftewel: dat ik meer ambities zou hebben, of waarmaken, als ik maar gedwongen werd tot half zes op school te blijven en daar slechts over onderwijs te spreken.

  2. Lex Hupe says:

    Je zult me wel weer neersabelen, maar toch doe ik een duit in het zakje. Ik vind dit thema, denkvaardigheden, net als jij Hannes, een interessante insteek. Als je er zoveel aandacht aan besteedt, dan mag ik aannemen dat jij dat ook vindt. Wat ik altijd doe in zo´n geval? Ik ga gewoon op zoek naar mooie concrete voorbeelden, liefst bedacht door leraren zelf, die een mogelijke weg zijn om de uitdaging aan te gaan. Daar vind je o.a. in deze blog enkele fraate voorbeelden van: http://wijsvooruit.nl/2013/08/natuurlijk-is-er-maar-1-antwoord-goed-hoewel/
    Vooral het filmpje My favorite No geeft m.i. heel mooi een andere aanpak van het leerproces weer.
    Ik ben een enorme voorstander van peer-to-peer uitwisseling. Mag meer gebeuren!

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s