Wie komt op voor de doorsnee leerling?

Het-Grijze-kind

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op het BON-forum stelde een zekere ‘Cor’ vorig jaar augustus de volgende vraag:

“Wij kennen in het basisonderwijs het fenomeen van de extra aandacht aan de zwakke leerling en aan de hoogbegaafde leerling. Die krijgen vaak apart les in een kleine groep met veel persoonlijke aandacht. Maar wat krijgt de grote middengroep?  Ik zie alleen maar dat deze leerlingen minder aandacht krijgen door de steeds grotere wordende groepen. Wie komt voor hen op? Hebben zij ook geen recht op extra aandacht?”

De vraag die Cor stelt is een goede. Ik zat zelf ook al een tijdje te knagen op een goed antwoord, maar heb het nog niet gevonden. Daarom eerst maar een stukje probleemverkenning.

Na een paar jaar mijn eigen kinderen verzorgd te hebben, begon ik vorig schooljaar weer voor de klas, voor 0,37 fte (naast een andere baan). Met genoegen. Leerlingen uit 3 en 4 havo en vwo. Daarbij drong de volgende vraag zich op: wie ben ik de meeste tijd, aandacht, hulp verschuldigd?

Dat het me niet lukt om alle honderd kinderen exact evenveel van mijn beperkte middelen toe te dienen, is zeker. Er dient zich altijd variatie aan, al is het maar omdat Jantje een notoire ordeverstoorder is die ik graag vooraan in de klas zet, en Janet altijd achterin gaat zitten en nooit uit zichzelf een vraag stelt. De mate waarin individuele leerlingen om aandacht *vragen* tijdens de les veroorzaakt al structurele verschillen tussen leerlingen in hoeveel aandacht ieder *krijgt*. Daar is niet zoveel tegen te doen, en het lijkt me op zich niet zo’n ramp, als je de bekende valkuilen weet te omzeilen. Dus Janet wat vaker uitdagen, en Jantjes rusteloosheid in de kiem smoren.

Problematischer wordt het als de didactische of schoolorganisatie structurele verschillen op groepsniveau bewerkstelligt. Zoals een stelregel ‘maximaal 10 minuten centraal, daarna aan het werk in de les‘ terwijl de docent dan vooral de zwakkere leerlingen ‘coacht’.

Of als een school kiest om klassen te vergroten, en van het bespaarde geld ‘klassenassistenten’ te betalen die de zwakkere of juist de hoogbegaafde leerlingen moeten bedienen.

Of als een school kiest om klassen nog wat verder te vergroten, en van het geld al of niet verplichte ‘naschoolse’ huiswerkklassen financiert voor leerlingen die het tempo of niveau niet uit zichzelf bijbenen.

Of als een school kiest om klassen standaard tot boven de dertig leerlingen te maken en de keuzeruimte binnen profielen te reduceren, opdat zo een vwo-plus-klas financieel haalbaar is als leerlingwervend Leonardo-alternatief.

Allemaal dingen die op scholen gebeuren. Met allemaal dezelfde consequentie: dan schiet er van tijd, aandacht en hulp voor ‘de gemiddelde kinderen’ weinig over.

Stel, je bent ouder van een schoolgaand ‘gemiddeld kind’ dat zessen haalt; de helft van de klas bestaat uit zulke kinderen. En je hoort dat zijn vriendje in de les vaak geholpen wordt door de leraar, maar jouw kind niet. En je hoort dat zijn vriendje een paar keer per week in kleine groepjes les krijgt, maar jouw kind niet. En je hoort dat dat vriendje ‘s middags gratis naar de huiswerkklas mag/moet, maar jouw kind niet. En je hoort dat zijn goed lerende zusje in een speciale klas van achttien leerlingen zit met een ‘bijzonder’ onderwijsprogramma, terwijl jouw kind in een klas met 32 leerlingen de dagen slijt.

Heb je als ouder dan reden tot klagen? Komt je ‘gemiddelde kind’ dan tekort? Krijgt het minder dan waar het ‘recht’ op heeft? Krijgen andere kinderen méér dan waar ze recht op hebben? Wat precies legitimeert de structurele verschillen waarin groepen leerlingen worden bediend met tijd, aandacht, hulp en – jawel – belastinggeld? Heeft niet elk kind principieel recht op even veel en even goed onderwijs als een ander kind?

Gevoelsmatig en uit principe wil ik die laatste vraag met ‘ja’ beantwoorden, maar het officiële antwoord lijkt ‘nee’ te luiden. Steeds vaker en op steeds luidere toon wordt van leraren geëist dat ze differentiëren. Onderwijswoordvoerder Elias en nu ook het onderwijstandem van Rutte-2 maken er zelfs een mantra van; weer een stok om de hond te slaan, zodat de aandacht van de structurele fouten in het OCW-beleid wordt afgeleid.

Dat differentiëren moet ertoe leiden dat er nog meer aandacht, tijd en hulp gaat naar het onderste kwart zwakke leerlingen en sinds kort ook naar de bovenste 10% sterke leerlingen. Want voor die doelgroepen bestaan lobby’s. Dat de zwakkere leerlingen meer tijd & aandacht van de leraar krijgen, vinden we zozeer de normaalste zaak van de wereld dat je er nog nauwelijks een vraagteken bij *durft* te plaatsen. De hoogbegaafdenlobby met hun luide onderwijseisen heeft zich goed georganiseerd, en vindt een willig politiek oor. Want zoals u weet veranderen hoogbegaafden in ADHD’ers als ze niet fluks op maat worden bediend, zakken af naar het vmbo en belanden in de goot, en het is aan de leraar om zulks te voorkomen.

Voor de middengroep bestaat er geen lobby. Die middengroep krijgt daardoor steeds minder van de kostbare en beperkte tijd, aandacht en hulp die de school en de leraren te bieden hebben. Ook neemt de klassengrootte flink toe, omdat schoolbesturen met het ontvangen belastinggeld leukere dingen weten te doen dan klassen op peil houden. Klassenverkleining achten bestuurders doorgaan zonde van het geld. En leraren kunnen toch geen vuist maken, dus hup.

De ‘Cor’ die ik hierboven noemde, pleit dus voor ‘extra aandacht’ voor die middengroep. Het is in wezen een contradictio in terminis: als we alle leerlingen ‘extra’ aandacht geven, bestaat er geen ‘extra’ meer in de zin van meer dan een ander. Toch ben ik het met hem eens, en zie ik een zeer reëel nadeel ontstaan voor leerlingen uit die grote, grijze middengroep waarom niemand zich bekommert. Want zessen zijn goed genoeg; waarom zou je daar zevens van willen maken?

Nou, misschien wil ik dat wel.

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

2 Responses to Wie komt op voor de doorsnee leerling?

  1. Gerard says:

    Met veel genoegen lees ik zojuist dit stuk. Bedankt voor het schrijven ervan. Het zet me aan het nadenken (en nadenken helpt).

    • hminkema says:

      Dank voor je compliment, Gerard! Ik besef nu dat ik het stramien volgde van Camperts – relatief – beroemde versregels:

      jezelf een vraag stellen
      daarmee begint verzet

      en dan die vraag aan een ander stellen

      (Remco Campert, Betere Tijden (1970)).

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s