Peer review als nieuwe Heilige Graal van het lerarenbeleid.

Alleen voordelen en kansen? Of ook nadelen en bedreigingen? Laten we even SWOT durven denken.

peer_review

Volgens Intermediair wil onze onderwijsminister dat ‘in 2020 alle scholen aan de peer review zijn’. Dat is nogal wat. Is de minister afgevallen van de traditionele wat-en-hoe-verdeling in onderwijsland? OCW schrijft voor wát leerlingen minimaal moeten leren, de scholen bepalen zelf hóe ze zich daartoe organiseren. Afdwingen dat op elke school een bepaalde vorm van nascholing wordt ingevoerd, is op die rolverdeling een flinke uitzondering. Waarop is het lieve geloof in die nieuwe Heilige Graal van het OCW-lerarenbeleid gebaseerd? 

Natuurlijk, leraren kunnen best het een en ander van elkaar leren, en daar valt wat voor te organiseren. Maar om de wenselijkheid van een ‘peer review’ systeem te beoordelen, moeten we ons ook durven afvragen waarom leraren dat eigenlijk niet allang doen.

Kijken we een paar sectoren verder. Waarom gaan huisartsen niet uit zichzelf bij elkaar op bezoek om hun collega’s te ‘recenseren’? Waarom eist de deken zulks niet van advocaten? Waarom observeren schoolleiders elkaar niet tijdens functionerings- en beoordelingsgesprekken of oudercontacten? Waarom nemen Kamerleden en gemeenteraadsleden niet elkaar de maat met structurele observatie- en feedbackrondes? Waarom lopen agenten niet met elkaar mee tijdens de surveillance met een lijstje beoordelingscriteria? Waarom zijn verpleegkundigen niet allang aan de peer review tijdens de vele patiëntcontacten? Waar blijven de structurele onderlinge observaties van nascholers, tijdens de sessies waarin zij leraren op nieuwerwetse ideeën trachten te krijgen?

En waar zijn de pleidooien van de bewindslieden van gezondheidszorg, justitie etcetera om al die beroepssectoren ‘peer review’ op te leggen? Wat zou de oorzaak zijn van deze exclusieve bepaling tot de beroepsgroep van leraren? Uit bovenstaand, en een ander Intermediair-artikel komen vooral de (vermeende) kansen en voordelen naar voren. Maar laten we het andere oog open houden voor de nadelen en bedreigingen. Je kunt ze maar beter zien, dan doen alsof ze er niet zijn.

Er zijn natuurlijk redenen waarom beroepsbeoefenaars niet zomaar aan de peer review gaan. De drie hoofdzaken lijken mij tijd, scepsis en weerzin. Hoewel tijd wel het vaakst zal worden aangevoerd als zakelijk argument – en trouwens heel terecht, want wie laat zich nu een tijdrovende bezigheid in het toch al overvolle takenpakket schuiven? – denk ik dat scepsis en weerzin ook feitelijke motieven zijn, maar dat mensen daar ongaarne voor uitkomen. Lang niet iedereen vindt het prettig om op de vingers gekeken – laat staan beoordeeld – te worden tijdens het uitoefenen van zijn werk, met name op de momenten dat men zich kwetsbaar en onzeker voelt. Leraren, huisartsen, advocaten, schoolleiders, agenten, verplegers lijken mij op één punt duidelijk overeen te komen: ze vinden het minder erg dat ze dagelijks ingewikkeld moeten dealen met tientallen leerlingen, patiënten, cliënten, ouders, burgers etc. die hen allemaal gadeslaan en een mening hebben over hun functioneren, dan dat er één collega bij staat om met een criteriumlijstje hun gedrag te turven die dat later ‘naar boven’ gaat verantwoorden.

(Ik denk nu stiekem even aan Georges Lopez, de fameuze dorpsschoolleraar uit de film ‘Être et avoir’, of Robin Williams uit ‘Dead Poets Society’. Wat zou er gebeuren als zij lesbezoek kregen van een collega-met-een-criteriumlijstje?)

Die weerzin onder leraren is volgens mij aanmerkelijk groter, en verankerder, dan uit de optimistische OCW- en bestuurdersretoriek ten aanzien van peer review blijkt. Een klein deel van de leraren zal er grote moeite mee hebben en die ook uitdrukken. Een groter deel, schat ik, zal zich er veel liever niet aan overgeven dan wel, maar dat voor zich houden en onder druk van de organisatie toegeven. Het denkelijke smaldeel dat zich enthousiast toont over een grootscheepse invoering van peer review, met zijn, inderdaad, kostbare schaduwzijde qua tijd en geld, acht ik niet groot; al zullen er best wel wat zielen te winnen zijn.

Het is maar zeer de vraag of van bovenaf opgelegde peer review – en laten we elkaar niet voor de gek houden, daar hebben we het hier over, getuige Bussemakers streven – werkelijk als een aanwinst voor het beroep uitpakt. Maakt het leraren beter? Maakt het leraren gelukkiger? Maakt het het beroep aantrekkelijker? Voor sommigen kan inderdaad gelden dat een open communicatie over hun lesgeven en de verbeterpunten daarin hen uit een benauwde schulp weet te krijgen. Maar leraren die slechts op papier ‘beter’ worden omdat ze op aangeven van hun collega’s voortaan een lesopzet op het bord schrijven, een verplichte inzichtvraag aan hun s.o. toevoegen of zich aan de studieplanner van de school conformeren, maar die dat sin amore doen en zich in wezen gepiepeld voelen, maken het onderwijs niet zomaar beter. Motivatie, autonomie en eindverantwoordelijkheid van de leraar voor zijn eigen onderwijs lijken mij conditiones sine qua non voor welke vorm van ‘peer review’ dan ook. Het leraarschap is en blijft een beroep met een sterk persoonlijke invulling, en de mate waarin je werkwijzen en trucs van anderen kunt overnemen is beperkt.

Naast tijd en weerzin hebben leraren ook recht op een zekere scepsis. ‘Peer review’ lijkt vooralsnog het meest op een geloof. Er is nog bepaald geen bewijs dat het in de breedte werkt, en dat het zo effectief is dat het de enorme investering in tijd en geld waard is. Die tijd en dat geld kunnen ook anders, en wellicht effectiever, besteed worden. Want reken eens uit wat ‘allemaal aan de peer review’ kost, met zevenduizend basisscholen en 1500 VO-schoollocaties; en dan nog het MBO en HBO; samen zo’n 200.000 leraren. Hier valt uitstekend te verdienen voor nascholingsbureautjes, en er gaan heel wat fte’s aan middenmanagement aan op. Logisch, het enthousiasme in die gremia. Maar wie zou niet sceptisch worden over de verhouding tussen kosten en baten, als de kosten zo enorm oplopen? De truc om leraren het werk gratis te laten doen door het lekker makkelijk tot de ‘professionalisering’ te rekenen is te doorzichtig voor woorden en ‘goedkoop’ in de ongunstige zin des woords.

Opmerkelijk is dat de gelovigen van de religie ‘peer review’ vooral gevonden worden in kringen van niet-leraren. Bewindslieden, schoolbestuurders, directieleden, nascholers: sinds twee jaar hollen ze allemaal naar de Nieuwe Heilige Graal van de peer reviews. Managers zien er een sturingsstrategie in: laat leraren zichzelf maar verbeteren, zet er wat drang en later dwang op, en we hebben de boel weer in de greep. Voor wie zich niet conformeert aan het beleid, heeft de schoolleiding inmiddels diverse ‘prikkels’ paraat: de verantwoording in het jaargesprek, de POP en de PAP, de periodiek die op het spel staat, het al of niet bevorderen naar een andere loonschaal, het onthouden van een ‘bonus’, en straks na ‘modernisering’ van de arbeidsvoorwaarden staat wellicht zelfs de aanstelling op het spel. Kunnen schoolleiders met een dergelijk stramien de harten van leraren winnen?

Kortom: tijd, weerzin en scepsis zijn geduchte hinderpalen op de weg naar de zegeningen van de peer review en het lieve geloof daar in. En voor alle drie valt een lans te breken. Ik vraag me dan ook af of grootscheepse invoering wel het doel moet zijn, en ik vraag me nog ernstiger af of we wel met een high-stakes toepassing van peer review moeten beginnen.

Wat ik wens, is een vruchtbare vorm van samenwerking tussen collega’s die wel de voordelen van peer review biedt – van elkaar leren – maar niet de nadelen – tijdgebrek en aanjagen van weerzin en scepsis. Bovenal: veiligheid, motivatie, autonomie bij de docenten. Daarom kunnen we beter de high-stakes er af halen: het conformeren aan een opgelegd model met van bovenaf opgestelde criterialijstjes en verantwoording naar-boven-toe. Ik begrijp best dat het kicken is voor sommige schoolleiders om hun werkpaarden de data te laten leveren over het voor-de-klas-functioneren van hun leraren, zodat ze gerichter kunnen sturen en bevragen, ‘prikkelen’ en selectief belonen, maar ik geloof er op voorhand geen klap van dat dit leidt tot betere en gelukkiger leraren. Laat staan tot beter onderwijs.

Dat gaat trouwens vaak samen, beter functioneren en gelukkiger zijn. Misschien moeten we in Nederland eens een keertje *niet* willen draaien aan het schroefje waar een ideoloog het bordje ‘beter’ bij hing en dan hopen dat leraren er vanzelf gelukkiger van zullen worden. Misschien moeten we leraren eens wat gelukkiger maken over hun werk, bijvoorbeeld door ze niet zo in de nek te hijgen maar door hun werk te veraangenamen, en dan acht ik niet uitgesloten dat ze daar beter van gaan functioneren – en we misschien zelfs een betere instroom in het beroep krijgen. Want over die laatste noodzaak lees ik niks.

Ja, betere leraren heeft Nederland hard nodig. We komen alleen al in het VO ruim 20.000 bevoegde leraren tekort – zo veel mensen staan er nu dus voor de klas die niet aantoonbaar hebben voldaan aan de basale kwalificaties op het gebied van vakkennis en goed kunnen lesgeven op het gevraagde niveau. Bovendien lopen veel te veel kersvers bevoegde, jonge leraren na een paar jaar lesgeven het onderwijs uit. Te zwaar, te moeilijk, te weinig waardering, elders is het gras groener. Onder studenten in het hoger onderwijs behoort het leraarschap tot de minst begeerde beroepen. In wezen loopt het lerarentekort – het tekort aan echte, bevoegde leraren – nog steeds op en laten we het op z’n beloop.

Laten we Finland er maar weer eens bij halen, al mag dat van sommigen niet meer. Als je Pasi Sahlberg mag geloven, en dat mag ik, dan wordt daar vergeleken met Nederland heel veel, prettig en met vrucht samengewerkt tussen collega’s. Daar is geen van bovenaf opgelegd Inspectiemodel voor nodig (ze hebben in Finland niet eens een onderwijsinspectie) maar hooggeschoolde, beroepstrotse leraren weten er hun eigen doelen te stellen en werkwijzen te evalueren. Óók hun eigen leerdoelen, en hun eigen vormen van samenwerking. Het is, kortom, weer eens de tegenstelling tussen van bovenaf opgelegde assessment, nu met peer ervoor, als een vorm van georganiseerd wantrouwen (‘alle leraren aan de peer review’) tegenover het vertrouwen dat in Finland wordt gegeven aan hooggekwalificeerde leraren, die dat vertrouwen waard blijken.

Finse leraren hebben ook voldoende *tijd* voor die collegiale samenwerking: ze hoeven elke schooldag 1,5 uur minder tijd te besteden aan lesgeven, tijd die ze kunnen steken in verbetering van de kwaliteit van hun lessen, in samen lessen maken, evalueren en bijstellen. Zolang wij in Nederland onze leraren opzadelen met het hoogste aantal lessen aan de grootste klassen van de Europese Unie moeten we er eerlijk voor uitkomen dat daar concessies aan de kwaliteit uit voortkomen. In plaats van weer ettelijke miljoenen steken in massale invoering van ‘peer review’ in Nederland kunnen we ook eens écht willen leren van observaties van onze collega’s. En wel van die Finse collega’s. Betere resultaten, gelukkiger leraren, beduidend minder scepsis en weerzin. En het kost nog minder ook.

Ja, dat is een kwestie van niet de hakken in het zand zetten, niet de ramen dicht houden, niet de koning in eigen kasteel willen wezen, maar durven leren van evidente ‘best practices’ bij de ervaren collega’s. Voor de duidelijkheid: dat advies adresseer ik hier niet aan leraren, maar aan onze bewindslieden van onderwijs.

En het mooie is: het is nog ‘evidence based’ ook. Kom daar bij ‘peer review’ maar eens om.

This entry was posted in Uncategorized. Bookmark the permalink.

One Response to Peer review als nieuwe Heilige Graal van het lerarenbeleid.

  1. Marjan Dekker says:

    Als docenten en schoolleiders de lessen beoordelen, heb ik er al geen vertrouwen in. Wie zijn die mensen? Welke opleiding hebben ze genoten? Zijn ze capabel om lessen te kunnen beoordelen of mogen ze slechts voor spek en bonen ‘inspecteurtje’ spelen? Wat is dit voor kinderspelletje? Wie controleert of de geobserveerde de te onderwijzen leerstof beheerst en of die het in groter geheel weet te plaatsen? Bovendien: zeer onprofessioneel om daar echte scholingsuren voor te gebruiken. Zo blijven en worden de docenten dommer i.p.v. capabeler, om van de schoolleiders nog maar niet te spreken.

    Ik bewonder het en ik verbaas me dat je serieus ingaat op deze twee baggerartikelen in Intermediair. O, ik zie nu dat je ook daar je reactie geplaatst hebt. Gelukkig. Kunnen ze nog iets van leren.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s