Leren van de VS en van Finland

Finse minister van Onderwijs Henna Virkkunen (klik op de foto voor een interview)

Leren van de VS en van Finland

> Klik op elk van de afbeeldingen voor interessante achtergrondinfo over onderwijs in Finland en de onderwijsdiscussie in de VS <

Op het inmiddels opgedoekte Volkskrantblog was een vaste deelnemer met de schuilnaam ‘Goedbedoeldpaktslechtuit’. Dat vond ik altijd een mooie benaming voor het Nederlandse onderwijsbeleid, door OCW aangestuurd en door schoolbesturen uitgevent. Nergens loopt een mooi idee meer kans om in de praktijk tot een teleurstelling te leiden dan in het onderwijs, met zijn Mammoetwet, Middenschool, Tweefasenstructuur, Basisvorming, Studiehuis, VMBO, wet-BIO, competentieleren, en nu de ‘nadruk op rekenen en taal’, ‘1040 lesuren’ en ‘passend onderwijs’. Allemaal met – vaak brede – steun van de Tweede Kamer, en allemaal, ehm, niet helemaal je dát.

“Meer nadruk op rekenen en taal” klinkt aantrekkelijk, net zoals “zelfstandig leren”, “uitstel van studiekeuze”, “competenties zijn kennis, vaardigheden en attitude inéén”, “meer lesuren” en “de leerling centraal” aantrekkelijk klonken. Maar we hebben inmiddels toch geleerd dat fraaie retoriek in het onderwijs nul komma nada garandeert. We moeten achter zulke slogans leren kijken. Zo blijkt “meer nadruk” voor OCW in de praktijk slechts”meer toetsen” te betekenen en niet “betere leraren”, “meer les” of “kleinere klassen”. Bij OCW onder Van Bijsterveldt & Zijlstra heerste de neoliberale ideologie van het ‘afrekenen op resultaten’. OCW staat aan het einde de ‘output’ te meten, en scholen zoeken zelf maar uit hoe ze aan die ‘output’ komen.

Klinkt leuk, die taakverdeling tussen het ‘wat’ en het ‘hoe’; maar intussen heeft OCW wél de grondwettelijke taak om toe te zien op de kwaliteit van het onderwijs. Die taak is onvervreemdbaar: die kan OCW niet afschuiven op een ander. De minister mág niet zeggen: “Ja sorry, WIJ wilden wel kwaliteit maar DE SCHOLEN lieten het afweten, dus het ligt niet aan ons.”

Helaas heeft OCW vrijwel alle belangrijke aspecten van de kwaliteit van het onderwijs afgeschoven op de schoolbesturen. Véél meer aspecten dan in de ons omringende landen (België, Duitsland, Engeland, Frankrijk). Schoolbesturen mogen het allemaal zelf weten: leerplannen en lesroosters, bepalingen van tussen-, eind- en overgangsniveaus, het halve eindexamen in het VO, besteding van de ‘zak met belastinggeld’ (lumpsum), het lerarenbeleid en de aanstellingsvoorwaarden in alle vormen van onderwijs. De minister laat de besturen (het ‘maatschappelijk middenveld’ immers) hun gang gaan, of ze dat nu goed doen of niet; ze let slechts op de examencijfers ofwel de ‘output’. Als het gemiddelde maar boven de 5,5 ligt, en er voldoende diploma’s worden uitgereikt, dan maakt de rest OCW weinig uit. Ook als met een andere besteding van de middelen de school een 7,0 of hoger had kunnen halen. Of als de diploma’s meer echte kennis en bekwaamheden garandeerden. En dat zou toch, dunkt me, in het belang van die centraal staande leerling wezen.

En grijpt ze eens in (“alle scholen 1040 uur”), dan slaat haar standpunt wetenschappelijk nergens op. Er blijkt geen positief verband te bestaan tussen het aantal verplichte lesuren in een land en de behaalde resultaten. Wat de belangrijke internationale vergelijking PISA betreft, is dat verband zelfs negatief. Het meest succesvolle westerse onderwijsland, Finland, haalt veel betere resultaten met véél minder verplichte lesuren (maar uitstekende leraren).

Schoolbesturen zijn vast van goede wil, maar de realiteit leert dat ze niet altijd ‘betere leraren’, ‘meer vaklessen’ of ‘kleinere klassen’ als prioriteiten hebben. Wat maar weer blijkt nu bij de eerste de beste bezuinigingen op het onderwijs de besturen niet naar zichzelf, hun bureaucratie, hun pilotprojecten en hun hofhouding kijken, maar direct naar hoe het lesgeven goedkoper kan: grotere klassen, meer lessen voor de leraar, minder begeleidingstijd voor leerlingen, steeds meer onbevoegde leraren voor de klas want die zijn lekker goedkoop en je kunt ze ook nog ontslaan.

‘Afrekenen op resultaten’ klinkt mooier dan het is

Er zit een essentieel probleem in dat ‘afrekenen op resultaten’. Want ook dat loopt grote kans om – goed bedoeld – toch slecht uit te pakken. Bijvoorbeeld omdat schoolbesturen een te grote gok nemen met de kwaliteit; het resultaat blijkt toch pas jaren later, en dan ligt de dader (in schaal 15) op het kerkhof. Of bijvoorbeeld omdat de toetsen waarmee de resultaten worden bepaald, niet deugen. Of omdat de norm ervan wordt ‘bijgesteld’ – bij voorbaat (door een makkelijke toets te maken) of achteraf (door de scores ‘aan te passen’ aan de verwachtingen). Of omdat *niet* wordt gemeten ten koste waarvan eventuele, dikwijls marginaal hogere reken- en taalscores gaan. Want om een leerling beter te laten zinsontleden, moet je elders in je programma schrappen: een stuk geschiedenis- of biologieonderwijs, het lezen van 3 boeken of een half jaar sport, zwem- of muziekles.

Het is dan ook terecht dat prof. Alexander uit Cambridge, wijs geworden door de Britse teleurstellende ervaringen met ‘nadruk op taal- en rekenonderwijs’, Nederland waarschuwt voor het blind inzetten op dit op zich goede doel. Hoe voorkomen we dat dit slecht uitpakt? Door scherp te letten op de omstandigheden waaronder én de redenen waarom dit in de UK en de VS slecht uitpakte, en nog steeds uitpakt. Met name in de VS is een hevige onderwijsoorlog gaande. In Nederland hebben maar weinigen zicht daarop, maar voor het Nederlandse onderwijsbeleid is die bijzonder relevant en leerzaam.

Successen VS blijven uit

In de VS voerde president Bush 10 jaar geleden een onderwijsprogramma in met de fraaie naam “No Child Left Behind”. President Obama voegde daar zijn even retorisch genaamde programma “Race To The Top” aan toe. Beide beoogden ongeveer hetzelfde: betere toetsprestaties, in het bijzonder voor rekenen & taal. En beiden hanteren min of meer hetzelfde middel: veel centraal toetsen, en scholen & leraren keihard ‘afrekenen op prestaties’: scholen sluiten, leraren ontslaan. Wortels en stokken. Tegelijk bevorderen deze presidenten de concurrentie tussen publiek en privaat onderwijs.

Gevolg in de VS is dat talloze privé [‘charter’] scholen uit de lucht vallen die er op gebrand zijn andere scholen te ‘verslaan’ op de taal- en rekentoetsen, opdat ze financiering ontvangen. Vaak lukt dat deze scholen niet, omdat goed lesgeven nu eenmaal niet iedereen gegeven is, en omdat de financiering voor een aanzienlijk deel naar niet-lesgevende managers gaat ten koste van welopgeleide leraren. Het lukt nog het best als deze privéscholen de beter gesitueerde leerlingen weten af te romen – en dan is het geen kunst meer om goed te scoren op de toetsen: de school lift mee op de sociaal-economische status van de ouders. Openbare scholen blijven veel vaker zitten met de restanten, en “falen”. Worden opgeheven en goede leraren staan op straat. Bij bosjes tegenwoordig, want er is per definitie altijd een ‘zwakste school’ aan te wijzen of de ‘zwakste 10% leraren’, die dan automatisch de klos zijn.

Ook valt op dat zowel in de VS als in de UK al langer en vaker op taal en rekenen wordt getoetst dan in ons onderwijs. Dan bedoel ik: verplicht en centraal getoetst en naar externe (objectieve) normen beoordeeld. Dat gebeurt in Amerika en Engeland diverse keren in het basisonderwijs, in Nederland nul keer. Scholen en leerkrachten maken in Nederland zelf uit hoe vaak ze toetsen, wanneer, met welke middelen, hoe streng, en of ze iets met de resultaten doen. Ook worden in het Angelsaksisiche voortgezet onderwijs leerlingen centraal getoetst en naar externe maatstaven beoordeeld, maar in Nederland slechts één keer: het eindexamen, waarvan de helft ook nog eens in handen is van de eigen leraren op de eigen school en waarvan de cijfers dus ‘plooibaar’ zijn.

Kortom, prof. Alexanders waarschuwing om ‘niet tezeer in te zetten op toetsen’ is beter aan de VS & UK besteed dan aan Nederland. In NL kan er juist wel een schepje bovenop m.b.t. externe genormeerde toetsen. Het is te zot dat Nederlandse leerlingen op de universiteit belanden zonder dat nota bene hun schrijfvaardigheid – essentieel voor studenten – ook maar één keer naar objectieve maatstaven is getoetst en beoordeeld. Het feit dat de huidige pabo-instroom slechter rekent en spelt dan menige leerling in groep 8, toont dat in hun vooropleiding geen serieuze norm middels toetsing wordt gehandhaafd.

Okee, meer extern genormeerde toetsen dus. Dat kan. Ze leveren cruciale informatie aan de direct betrokkenen: scholen, leerlingen, ouders. Maar helaas maakt OCW de kapitale fout om meteen high-stakes toetsen in te zetten. Goed bedoeld, maar pakt slecht uit. En dat zou OCW moeten weten.

‘High-stakes testing’ perverteert

Die ‘high stakes testing’ [toetsen waarvan voor de school en de leraren grote belangen afhangen] heeft essentiële nadelen. Ik noemde al de onweerstaanbare neiging van scholen om dan maar hun lesprogramma te versmallen en hun onderwijs te veranderen in toetstraining. Daarnaast worden “afgerekende” scholen en leraren onrechtvaardig behandeld omdat verschillen qua leerlingenpopulatie en leerproblemen vooral sociaal bepaald zijn. Een correctie daarop kan slechts globaal zijn; nooit maatwerk op school-, klasse- en docentniveau.

Ook leveren de gebruikte toetsen vaak onvoldoende valide/betrouwbare scores op. Het eindexamen Nederlands is nu al dik tien jaar qua betrouwbaarheid volstrekt onder de maat. Hoe hard loopt OCW om dat te repareren? Ze wachten af tot het op een dag ‘vanzelf’ beter wordt. Maar intussen gebruiken we deze toetsen met onvoldoende kwaliteit wél om leerlingen af te rekenen. Er nu ook de scholen en leraren mee afrekenen, is meer van het slechte, niet van het goede.

Het meest perverse is nog wel dat in de VS op grote schaal examenfraude blijkt voor te komen. Scholen die vrezen te worden afgerekend op slechte resultaten – of hopen te worden afgerekend op goede resultaten – en die daarom de antwoorden en dus de scores van hun leerlingen ‘verbeteren’. Die massale correctiefraude is in diverse staten op tientallen scholen aan het licht gekomen. Er zijn honderden leraren en ‘managers’ bij betrokken. Te vrezen is dat dit het topje van een ijsberg is. Daarmee is het instrument ‘toets’, ooit bedoeld in het belang van de leerling, verworden tot zijn tegendeel: door scholen die zichzelf, de leerling en de buitenwacht opzettelijk onjuist informeren over geboekte leerprestaties.

Prestatieloon blijkt niet te werken

Eveneens blijkt in de VS bij herhaling dat ‘prestatieloon’ niet te werkt als middel om leraren tot hogere prestaties (= toetsscores) op te zwepen. Helaas voor de neoliberalen, die daar vanuit hun ideologie (die predikt dat mensen reageren op financiële prikkels) juist zo veel van verwachten. Vermeende voordelen blijven uit, terwijl onrechtvaardige beoordelingen leraren & scholen slachtofferen. Immers, matige leerlingprestaties zijn niet alleen, en zeker niet in hoofdzaak, de school aan te wrijven. Ook blijken leraren – hee verrassing! – niet vanwege het geld in het onderwijs te zitten, en zijn daar dus ook maar matig mee te prikkelen.

Niettemin hielden Bush en Obama aan het ingezette beleid vast, met de verblindheid die ideologieën nu eenmaal kenmerkt. Daardoor woedt in de VS nu een oorlog tussen scholen/leraren en overheden waar de leerlingen al helemaal geen baat bij hebben. Al is het maar omdat ook in de VS de beste studenten nu bedanken voor het leraarschap, met steeds zwaarder werk en steeds lagere baanzekerheid.

Maar laat een ding duidelijk zijn: die ‘beste studenten’ heb je wél nodig als je je onderwijsresultaten of PISA-scores wilt verbeteren. Dan moet je het niet op de matige studenten aan laten komen – zoals in Nederland momenteel gebeurt. De hbo-lerarenopleidingen zitten bomvol zwakke tot matige havisten en doorgestroomde mbo-ers. Die geven straks in meerderheid les aan het puikje van Nederland: getalenteerde leerlingen in havo en vwo. De ‘beste studenten’ in het hoger onderwijs péinzen er niet over om leraar te worden. Ten onrechte maken wij ons daar geen zorgen over.

In sommige kringen geldt: wat de VS doet is welgedaan. Dus loopt ook OCW de VS achterna op het gebied van onderwijs. En zetten Van Bijsterveldt en Zijlstra in op “high-stakes testing”, het afrekenen van scholen op toetsprestaties voor taal en rekenen, prestatieloon voor leraren, uit te keren door geprivatiseerde besturen die zelf mogen weten aan wie ze de financiële prikkels uitdelen (ook aan henzelf, uiteraard). In Nederland gebeurt alles tien, twintig of dertig jaar later dan in de VS – ook de miskleunen in het Amerikaanse onderwijsbeleid.

Finland: inzetten op kwaliteit

Ik geef het toe, en sorry: wat een klaagzang. Het tragische (maar je kunt ook zeggen: het interessante) is dat dit ‘goedbedoeldpaktslechtuit’-beleid prima te vermijden is. Als OCW maar eens de ogen opende en keek naar welke onderwijsaanpak uitstekend blijkt te werken. Het met afstand beste onderwijsland van Europa, met de hoogste scores voor taal, rekenen en ‘science’, is Finland. Daar bestaat geen toetscircus, geen ‘afrekenen op resultaten’, geen prestatieloon, en geen schadelijke concurrentie tussen privéscholen & scholen met een ‘gemakkelijke’ populatie en de rest.

Dat beste taal- en rekenonderwijs kreeg Finland door in te zetten op een corps van uitstekende leraren, hoogopgeleid, voor basis- en voortgezet onderwijs. Immers, een hooggeschoolde leraar betaalt zichzelf dubbel en dwars terug, want al zijn (vele duizenden!) leerlingen hebben daar een onderwijscarrière lang profijt van. Zo niet in Nederland, waar de eisen om op de basisschool te werken laag zijn, en waar gedoogd wordt dat mbo-opgeleide assistenten zelfstandig voor de klas staan. Of in ons VO, waar 1 op de 3 leraren ongekwalificeerd lesgeeft, en OCW dat niet eens wil wéten (echt, serieus, ongelogen).

In Finland, met het beste taal- en rekenonderwijs, staan studenten in de rij om leraar te mogen worden. Alleen de besten mogen door en 75% van de aanmeldingen valt af. Een lerarentekort is er ondenkbaar. Toch zijn de salarissen er maar weinig hoger dan bij ons. Waarom is de lerarenbaan in Finland dan toch zo populair, dat het land er de beste studenten voor weet te werven – met evident het beste onderwijs tot gevolg? Sleutel is een werkbaar aantal lesuren per week, niet te grote klassen, veel maatschappelijke waardering en een sterke beroepsorganisatie. Ook wordt in Finland het onderwijs gerund door mensen die zelf uit het onderwijs afkomstig zijn. Wat een verschil met Nederland! Waar de Onderwijsraad nul leraren telt en het Onderwijsministerie misschien 1% excuusleraren onder de ambtenaren.

Daarbij geldt in Finland een sterke ethiek t.a.v. ‘goed onderwijs voor iedereen’. Geen massaproductie, maar maatwerk. Dat kan alleen als de leraar daartoe de tijd heeft; en niet zoals in Nederland 250 leerlingen per week of nog meer aan zich voorbij ziet trekken. Ook de klassen met allochtone tweede-taal-leerders worden er goed bediend; die leren als de wiedeweerga Fins en Engels. Waar Nederland in het onderwijsbeleid vooral let op de kwantiteit (veel ophokuren!) en kwaliteit ‘overlaat’ aan de scholen, doet Finland dat precies andersom. Leerlingen en leraren brengen minder tijd op school door, maar de lessen zijn echte vaklessen en leraren goedopgeleide vakleraren, die hun eigen beroepsgroep bestieren.

OCW heeft de beroepsorganisatie van leraren verwaarloosd. Nederland kent een aantal ‘sectororganisaties’ voor het onderwijs: de PO-raad, de VO-raad, de MBO-raad en de HBO-raad. Die bestaan uit werkgevers, niet uit leraren, en zij betalen hun organisatie c.q. politieke lobby uit de publieke middelen die voor onderwijs bestemd zijn. Onze leraren worden niet getracteerd op dergelijke sectororganisaties, en moeten het zelf maar uitzoeken.

Kortom, het land met het beste taal- en rekenonderwijs heeft geen toetscircus, ranglijstjes voor scholen/leraren/leerlingen, zelfbevlekkende schoolbesturen, of prestatiebonussen. Het land heeft geen minister nodig die ‘nadruk op taal en rekenen’ verordonneert en afdwingt middels toetsen. De onderwijsgevenden realiseren dat doel uit zichzelf. Het land heeft openbaar onderwijs met uitstekend opgeleide leraren, met gelijke onderwijskansen hoog in het vaandel. Het scoort het hoogst op de internationale PISA-toets, maar niettemin brengen leerlingen en leraren brengen *minder tijd* op school door. De leerplicht begint er pas met 7 jaar, maar veel kinderen gaan al eerder naar de gratis ‘Brede School’. Meer informatie hier.

Nederland kan dat ook. Een kwestie van willen. Maar als je let op het OCW-beleid, zou je denken dat we dit *totaal niet* willen.

Is Finland ‘evidence’ genoeg voor OCW?

Niet lang geleden besloot OCW het TIER op te richten, een onderzoeksinstituut voor ‘evidence based’ onderwijsresearch. Want het zou zo goed zijn als onderwijsbeleid eens empirisch wordt ondersteund. Is het dan niet mal als OCW nu de ruim voorhanden zijnde Finse evidentie negeert, en hardnekkig blijft vasthouden aan ideeën die elder bewezen gammel of mislukt zijn?

Op school leren de leerlingen over de wereld om hen heen. Ze leren van goede voorbeelden. En van slechte voorbeelden valt ook veel te leren. Je moet er alleen wel de ogen voor openen. Gelukkig hebben leerlingen nog weinig last van oogkleppen. Daarmee hebben volwassenen sterker te kampen.

Finse schoolklas (klik op de foto voor een essay over het Finse onderwijs

This entry was posted in Uncategorized and tagged . Bookmark the permalink.

2 Responses to Leren van de VS en van Finland

  1. Pingback: Jelmer Evers | Empathie in het onderwijsdebat

  2. Raf Feys says:

    Leraar Van Hemeldonck doorprikt fabeltjes over superieur Fins onderwijs Fins onderwijs presteert erbarmelijk slecht in kennisoverdracht; het is vrij utilitair en niet diepgaand; leerlingen te weinig gemotiveerd; niveau lerarenopleiding onderwijzers lager dan in Vlaanderen
    De voorbije jaren werd Finland veelal als een onderwijsparadijs voorgesteld. Ook in het debat over de hervorming van het s.o. werd vaak naar Finland als model verwezen. In enkele nummers van het lerarenblad ‘Brandpunt’ van de COC verschenen vorig jaar mooie verhaaltjes over het onderwijssprookjesland ‘Finland’. Verhaaltjes die ook herhaaldelijk door het tijdschrift Klasse, door de VRT en vele anderen werden verpreid. In het aprilnummer 2015 van Brandpunt werd wel een scherpe kritiek op die COC-verhaaltjes opgenomen; een kritiek vanwege Dirk Van Hemeldonck die zelf een aantal jaren lesgegeven heeft in Finland en de situatie vrij goed kent. Het Fins onderwijs presteert volgens hem erbarmelijk slecht in kennisoverdracht; het is vrij utilitair en niet diepgaand. We citeren de belangrijkste passages. Hij plaatst ook grote vraagtekens bij het niveau van de Finse kandidaat-leerkrachten waaraan hij zelf les geeft. Zo hoor je het ook eens van een ander. (Op de blog ‘Onderwijskrant Vlaanderen’ vind je een 10-tal relativerende bijdragen over Finland).
    Beste redactie, ik wil reageren op de reeks artikelen over het Finse onderwijs die in Brandpunt verscheen. Ik heb het grootste deel van mijn loopbaan als wiskundeleraar lesgegeven in Vlaanderen in het hoger secundair onderwijs en in de onderwijzers- en regentenopleiding. Tussen 1998 en 2002 heb ik lesgegeven in Finland in het hoger secundair, in de onderwijzers- en lerarenopleiding en in het wiskundedepartement van de Universiteit van Jyväskylä. Ik mag mezelf toch wel een ervaringsdeskundige van het Finse onderwijs noemen. Ook nu nog verblijf ik de helft van de tijd in Finland en blijf er het onderwijs op de voet volgen.
    De artikels in Brandpunt waren grotendeels gebaseerd op de PISA-resultaten van 2000 en publicaties in het Engels van het Finse onderwijsministerie, maar staan diametraal tegenover de ervaring ‘op het veld’. Het eerste PISA-onderzoek in 2000 bevatte nogal wat onvolkomenheden waarvan de ergste is dat de vragen niet in alle landen dezelfde waren. De onderzoekers waren er niet in geslaagd een vragenbestand op te stellen dat voor alle landen relevant was. In het onderzoek van 2012 werd gepoogd dit euvel weg te werken en zakte Finland meteen naar de twaalfde plaats – ook al bereidt het Finse onderwijs nadrukkelijk voor op testen in identiek dezelfde stijl als het PISA-onderzoek. (NvdR: Vlaanderen behaalde de Europese topscore; onze 15-jarige tso-leerlingen leerlingen presteerden evengoed als de doorsnee-Finse leerling.) Ook in het TIMSS-onderzoek scoort Finland niet zo goed en in de internationale Wiskunde Olympiade doen de Finnen het elk jaar slecht.
    Het Finse onderwijs presteert erbarmelijk slecht in kennisoverdracht. Bijvoorbeeld, na negen jaren scholing is 70% van de scholieren er niet in staat met breuken te rekenen, slechts 7% begrijpt wat breuken zijn en de overige 23% kan de rekenregels uitvoeren zonder ze te begrijpen (Doctorale thesis van Lisa Näveri, University of Helsinki, 2009). Dit is ook mijn eigen ervaring. Ook in Aardrijkskunde loopt het mank: ik ontmoet nooit leerlingen uit het algemeen volgend hoger secundair onderwijs die op een blinde kaart Frankrijk of Duitsland kunnen aanduiden, laat staan kleinere landen als België of Nederland.
    Kinderen hebben op Finse scholen weinig intellectuele uitdaging, vervelen zich en de meerderheid heeft een afkeer van onderwijs. (Dit laatste bleek ook uit PISA-2012). Na school hangen velen in bendes rond. In veel secundaire scholen wordt op het schoolterrein drugs gedeald. Het (typisch) Finse onderwijs is erg jong, het is pas na 1863 ontstaan. We moeten ontzag opbrengen voor wat de Finnen op zo korte tijd bereikt hebben. Maar het is wel een ‘noodsituatie’-onderwijs: op korte tijd moest men de achterstand ten opzichte van de andere Europese landen inhalen. Daardoor is het onderwijs erg utilitair en gaat het niet diep. Er is nog een lange weg af te leggen om op het gebied van kennisoverdracht en menselijke vorming op een vergelijkbaar peil te komen als de andere Europese landen.
    Dikwijls wordt het hoger niveau van de leerkrachten geroemd. Ondanks de masteropleiding van de onderwijzers kan ik aan de studenten niet dezelfde eisen stellen als aan de professionele bachelors in Vlaanderen.
    U hebt wellicht al gehoord van de massamoorden in Jokela en Kauhajoki waar een scholier vele andere leerlingen en leerkrachten doodschoot. De zich zelf lovende Engelstalige brochures van het Finse ministerie vermelden uiteraard niet dat er regelmatig bijna even ernstige drama’s gebeuren. Er blijven ook de problemen van het pesten en het zeer ernstig mishandelen, die men in de Finse scholen maar niet onder controle krijgt.
    Het (typisch) Finse onderwijs is erg jong, het is pas na 1863 ontstaan. We moeten ontzag opbrengen voor wat de Finnen op zo korte tijd bereikt hebben. Maar het is wel een ‘noodsituatie’-onderwijs: op korte tijd moest men de achterstand ten opzichte van de andere Europese landen inhalen. Daardoor is het onderwijs erg utilitair en gaat het niet diep. Er is nog een lange weg af te leggen om op het gebied van kennisoverdracht en menselijke vorming op een vergelijkbaar peil te komen als de andere Europese landen.
    Wat je wel moet bewonderen in het Finse onderwijs is de zelfstandigheid van de kinderen en hun verantwoordelijkheidsgevoel. Ook de prachtige gebouwen en uitrusting, waarmee het beleid laat voelen dat ze kinderen waarderen. Er is in elke school ook een team van speciaal opgeleide taakleerkrachten om de kinderen met leermoeilijkheden verder te helpen. … (Commentaar: de inclusieleerlingen zitten er wel veelal in aparte klassen.)
    Bijlage: Finse prof. Jukka Sarjala over problemen in de comprehensieve lagere cyclus s.o
    Problems in the Comprehensive School
    Finland kende vóór 1970 een sterk selectief systeem zoals in Duitsland: scherpe selectie na 4de studiejaar in gymnasium en een soort technisch onderwijs. Het aantal leerlingen dat naar het gymnasium overstapte verschilde sterk van streek tot streek. Dit leidde tot de invoering van comprehensief onderwijs: een gemeenschappelijke lager cylus. Prof. Sarjala: “The main problem of the new school was: how to teach an entire age-group in the same school, in the same class. In the planning stages of the reform, people said that slow-learners would dangerously lag behind; on the other hand, the school could be too easy for talented children.”
    Volgens Sarjala schiep de invoering van een gemeenschappelijke lagere cyclus tal van problemen.
    *Te grote niveauverschillen: “Teachers are faced with students with different learning abilities. Every student should receive instruction at the level of his skills, but that requires small teaching groups.
    *Minder discipline en leermotivatie bij de leerlingen: “Many teachers say that students have become more and more negative. Children are more restless and more self-centered. Students have become polarized: a great majority of the students are doing better than ever before; on the other hand, there is a growing group of students who do not fare so well. Family problems have increased: among other things, unemployment, mental disorders, alcoholism, broken families. Competition in the labour market has increased and parents have less and less time for their children. Children bring the family problems to school.
    *Lesgeven is minder aantrekkelijk geworden & minder interesse voor lerarenberoep
    A number of teachers are facing difficulties because some parents behave aggressively. Some teachers have been threatened with litigation on the grounds that they have given too poor grades to the students. Many of the problems in the comprehensive school stem from the problems of society. Schools do not get enough resources; the economic differences between municipalities have a bearing on the school results.
    Up to now, teaching has been an attractive profession. Just recently, we have heard, though, that a number of teachers would like to change jobs. This is a rather disheartening scenario for the Finnish education system.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s